Jongenslectuur, mannendromen – 11

Let women have totally equal competition…
they’ll see that they can’t make it.
Uitspraak van Edmund Cooper, een Britse, enigszins populistische schrijver van speculatieve fictie, oftewel science fiction. We zitten nu in de new wave periode van de speculatieve fictie: de jaren zestig.
Cooper was een atheïst maar geloofde wel – zoals vrijwel elke essefschrijver doet – in buitenaards leven met een z.g. hogere intelligentiegraad.

In Transit (Universeel Experiment) uit 1964 voerde hij ze op in Arthur C Clarke traditie: onzichtbaar, ongrijpbaar. Maar grijpen doen deze wel.
Twee vrouwen en twee mannen zien op een dag elk op hun beurt in een Londens park waar ze met hun ziel onder hun arm lopen, een opvallend kristal in het gras liggen. Zodra ze het oprapen, verliezen ze het bewustzijn.
Ze komen bij op een tropisch strand, omgeven door een jungle. Een onbewoond eiland, lijkt het. Misschien zijn ze met hun onvrijwillige vakantie nog niet zo slecht af, want alle vier hadden een punt in hun leven bereikt – ze zijn rond de dertig – dat het allemaal niet meer zo lekker ging en de sociaalmaatschappelijk problemen zich opstapelden. Eén liep er al met zelfdodingsplannen rond. Wat ze nog meer met elkaar delen: als ze vanavond niet thuis komen, zal niemand hen missen.

De situatie dwingt deze vier mensen die vreemden voor elkaar zijn en nogal van elkaar verschillen, met elkaar te leven. Ze beschikken over twee tenten, kleren, voedselvoorraden en elk bezit, vreemd genoeg, een koffer met zijn of haar persoonlijke maar verder van weinig nut zijnde eigendommen. Ze trekken de conclusie dat ze zijn ontvoerd voor een of ander geheim overheidssexperiment. Tot ze ontdekken dat de konijnen in dit oord zes poten hebben en er ’s avonds twee manen aan de hemel verschijnen.

Ze vertellen elkaar gaanderweg hun levensloop, er wordt een paartjeskeuze gemaakt en er komen menselijk herkenbare elementen bij als kibbelpartijen en jaloezie. Tot ze op een dag tot hun verrassing en vervolgens schrik oog in oog staan met andere mensen. Vier exemplaren, met een goudgebronsde huid en ze spreken een vreemde taal. Ook zij zijn kennelijk ’schipbreukelingen’ maar schijnen minder goed bevoorraad te zijn, want ze lopen spiernaakt rond. Of dat de reden is dat ze de vier hoofdpersonen verontrusten en bang maken weet ik niet, de animositeit is in elk geval wederzijds en hoewel het eiland genoeg plek en voedsel voor alle partijen biedt, ontaardt de situatie in een heus stammenoorlogje waar zelfs een dode bij valt.

Bij de tegenpartij, maar direct daarop treedt wederzijdse ontnuchtering in. Perfect getimed verschijnt vervolgens op het strand een vreemd apparaat dat hen laat weten dat ze inderdaad kandidaten waren voor een experiment in overleven. Uit het project moest blijken wie van de uitgezette humanoïde levensvormen de beste kwalificaties heeft om andere werelden te gaan koloniseren. U snapt het, het Aardse kwartet heeft gewonnen.
Als 20-jarige las en herlas ik het boek met rode konen. Zo veel jaar later heb ik er wel wat op aan te merken. Het is allemaal nogal voorspelbaar, in Cooper’s roman. De twee vrouwen in de groep zijn elkaars tegenpolen (zoals de mannen dat van elkaar ook zijn) en Cooper gaat gelukkig niet zo ver dat hij de heren de vrije hand geeft in het aan de haren een hol binnenslepen en verkrachten van de dames op oermannetjeswijze. Maar zij zijn wel typische jaren 50 cliché’s: Barbara is adrem en het type van de vrije, doorrookte vrouw die zich door een man niet snel onder de tafel zal zuipen (ik stel me daar een jonge Lauren Bacall bij) en Mary is het onzekere tutje. Richard voelt zich als kunstdocent mislukt en Tom is de laconieke, gladde womanizer. Wat hij uiteindelijk niet blijkt te zijn nadat een of andere dolle rhinoceros over hun kampement is gedenderd- de kapot getrapte koffer met persoonlijke spullen die hij voor de anderen angstvallig op slot heeft gehouden bevatte louter porno. Waarop de prompt uitgekotste Tom natuurlijk helemaal instort en het grauwe muisje Mary juist een ‘gesterkt karakter’ toont door hem te bemoederen. Daarmee zijn de relaties vastgelegd. Al is het maar de vraag of dat stand zal houden. Zo lang duurt hun verblijf op planeet X echter niet.

Na het dramatisch treffen met de Vijand en een zich kenbaar makende sponsor van het hele avontuur keren de vier aardbewoners niet naar hun thuisplaneet en Londen terug, ze worden pioniers in de volgende fase van de ontwikkeling van de mens.

Transit is hoofdzakelijk interessant door Coopers speculatieve keuze: what if, gekoppeld aan een spannende Robinson Crusoë situatie en zelfs, in de verte, een Adam en Eva thema. Maar na het lezen weten we het, Edmund Cooper was van de oude stempel: de gespierde kostwinner, zijn nageslacht garanderende huisdecoratie en raciale competitie. In die volgorde.
Terzijde: het verbaast me regelmatig hoe zorgeloos essefschrijvers met hun ideeën omspringen. Zoals Robert Heinlein in Universe. Vlak voordat het kristal – een voorwerp dat al aan het denken zet – de vier personages uit Transit uit onze wereld wegrukt, hebben ze allevier nog één gedachte:
This is home. This is the garden. This is the world where you will live and grow and understand. This is where you will discover enough, but not too much. This is where life is. It is yours.
Het verleent het verhaal de juiste toon van semi-religieuze mystiek in een bigger than life space opera setting, maar het wordt naar mijn smaak veel te vroeg uitgereikt. Cooper had er beter aan gedaan een voor de lezer onbegrijpelijke (actie) scène op de vreemde planeet te presenteren, en via flashbacks het hoe of wat uit de doeken doen.
Maar Edmund Cooper deed nog meer niet goed.

- wordt vervolgd -
©2009dedeurs

