Jongenslectuur, mannendromen – 6

De nr 3 in de Galerij der SF Giganten. Vergeleken met de twee anderen zat Heinlein tegen het B-genre aan, de SF pulp. Toch gaat mijn voorkeur naar hem uit.
Maar eigenlijk gaat deze serie niet alleen over science fiction schrijvers. Er waren er die door zulke schrijvers geïnspireerd werden en dat visueel uitdrukten. Ge heeft daar al een voorproefje van gezien. Er komt nog meer. Pulp illustraties, het moet nu maar eens officieel erkend gaan worden; is Kunst.
Harsh bright soil of Luna
out ride the sons of Terra
Far drives the thundering jet
Saturn’s rainbow rings
the frozen night of Titan
We pray for one last landing
on the globe that gave us birth
Let us rest our eyes on the fleecy skies
and the cool, green hills of Earth.
- Robert Heinlein

Heinlein is niet bekend geworden door zijn sentimenten. Een medisch afgekeurde zeeofficier die een schrijver werd in de orde van mixed feelings; je bent verslingerd aan zijn essef of je vindt ze niet te pruimen. Enigszins wonderlijk is hoe hij zijn rechts-republikeinse inslag (Starship Troopers) in marsorde combineerde met onverkapte pleidooien voor vrije polygamie, homoseksuele emancipatie, anti-discriminatie, anti-autoriteit en libertarische idealen. Waardoor zijn Stranger in a Strange Land een grote hit werd onder het flowerpower volk van de jaren zestig. Dat vind ik vrij verwarrend. Het gaat misschien te ver om het te vergelijken met Mao Ze Dong indien die een handboek voor kapitalistisch bedrijfsmanagement had geschreven, maar zo’n gevoel krijg je bij ijzervreter Heinlein wel. De tegenstrijdigheid – of was het ambivalentie? – komt in deze verzameling Heinlein quotes mooi naar voren.
Hij werd bij de sci fi incrowd in eerste instantie populair door zijn maanboeken. The man who sold the moon is inmiddels flink achterhaald: een rijke zakenman geobsedeerd door het idee om het eigendomsrecht op de Maan te verkrijgen. Toen een hoog aangeslagen werkje; in 1973 vond ik de song van David Bowie al beter. Toch voorzag Heinlein reeds in 1950 dat ruimtevaart een geldverslindende business zou worden en naar mijn idee is de dag dat NASA voor een groot deel door de multinationals gesponsord zal moeten worden niet zo ver weg meer.
Hoe financieel funest toekomst- speculaties kunnen zijn merkte Charles Hall die in 1968 de patentenboer opging met zijn sensationele gat-in-de-markt waterbed. Het patent werd hem niet verleend. Ene Robert Heinlein had het concept al in 1956 uitgedacht en in gebruik genomen; in zijn roman Double Star.
Mijn favoriete Heinleinroman is Universe, (oorspronkelijke titel Orphans of the Sky). Die je eigenlijk onvoorbereid moet lezen. Zoals je ook over Daniel Galouye’s Dark Universe niets zou moeten weten. Je komt dan in werelden terecht waarvan je denkt, ‘wat is dit, waar gáát dit over’. Geleidelijk aan worden tipjes van de sluiers der geheimzinnigheid, mystiek en onwerkelijkheid opgelicht , en de ontknopingen zijn vervolgens echt verrassend. Dat is toch heerlijk, als je verrast wordt? Mensen die in de bioscoopzaal naast je de afloop zitten te verraden, sla ze de tanden uit de muil.
Het ultieme voorbeeld in plot-shock literatuur is Christopher Priest’s fabelachtige Inverted World. De blurb op de achterkaft gaf zowaar vrijwel niets van het verhaal weg, en aan het einde van het boek zat ik met open mond, verrassing had me overweldigd.
Het probleem met de Universes van Heinlein en Galouye is echter dat de conclusies van beide romans wat teleur stelden. Ze gaven het idee dat de verhalen noodgedwongen beëindigd waren. Maar Heinlein’s Universe schiep vanaf het begin toch een fascinerend beeld van een aanvankelijk onbegrijpelijke wereld. Je maakt kennis met een vrij primitieve mensengemeenschap die zich Ergens bevindt. Ze bezigen bekende wetenschappelijke termen, maar ze lijken uit hun verband gerukt. Het is duidelijk dat zij niet begrijpen waar begrippen als ‘Fysica’ voor staan, wetenschap en techniek zijn in de loop van talloze jaren kennelijk verworden tot een soep van folklore en religie.
Ze hebben het ook over gangen, en een plek die Geengewicht heet. Ze klagen over tegenvallende oogsten in de ‘hydro tuinen’ en het doven van alweer een groep Lichten. Maar ze noemen hun wereld ook ‘Het Schip’ en ze leven op ‘niveaus’ en ‘dekken’. Verdomme Heinlein, had je dat niet wat langer kunnen verhullen?
Zo krijg je al snel door waar zij absoluut geen flauw benul van hebben: ze bevinden zich in een ruimteschip. Het is op weg naar Centauri Proximus en voorbestemd daar binnen een eeuw aan te komen. Maar halverwege ging er iets mis. Een deel van de opvarenden kregen er spijt van te zijn ingescheept op een reis met een eindbestemming die alleen hun nazaten zouden beleven en wilden dat het schip naar de Aarde terugkeerde. Het ontaardde in muiterij, er ontbrandde een felle strijd, de toegang tot het commandodek werd verzegeld, de overlevenden hadden de daaropvolgende decennia de handen vol aan in leven blijven en het reisdoel alsmede het ruimteschip zelf raakten vergeten. Wat overbleef, waren elkaar beconcurrerende stammen en een primitief bestaan.
Het Handboek voor Fysica werd een bijbel vol mystieke uitspraken en ‘voorspellingen’, en niemand die meer wist dat kapotte gloeibuizen vervangen konden worden, of waar in het enorme schip met z’n vele leefdekken de voorraad lampen zich bevond. Ouders maakten hun ongehoorzame kinderen bang met verhalen over monsters in Geengewicht die soms naar Beneden kwamen. Voor mensenvlees. En al die tijd raasde het grote schip door de ruimte, volautomatisch maar met steeds meer uitvallende leefsystemen.
Hugh Hoyland is een bijdehante jongeman die opgeleid wordt voor priester-achtige ‘Geleerde’ maar er achter komt dat de gewone boer al die mystiek met een korrel zout neemt. Zijn eigen geloof dat het Schip het hele heelal is komt in de knel nadat hij tijdens een strooptocht op de hogere dekken gevangen genomen wordt door mutanten. In plaats van als maaltijd te dienen weet hij de sympathie van hun leider Jim-Joe, een soort siamese tweeling, te winnen. Die stellen Hugh de verbijsterende vraag: ‘Als je naar het laatste Benedendek gaat, en je zou daar een gat in de bodem boren, waar kom je dan uit?’
‘Nergens’, meent Hugh. ‘Het kan niet, daar voorbij is Niets’.
Jim-Joe nemen hem op een dag mee naar de allerhoogste dek. Het is zo groot dat Hugh een aanval van ruimtevrees krijgt. Mutant Joe-Jim zet hem in een stoel voor een console, beweegt zijn hand over rijen lichtjes, en laat hem de waarheid zien. De sterren achter de muren van Hughs microheelal.
De fiere, hoogontwikkelde en schier almachtige mens gedegradeerd tot hulpeloze insektjes. Ik vond de tragiek in het verhaal enorm. Zo zeer zelfs dat ik het van hoop barstende einde bijna ervoer als een afknapper.
In het boek (in deze CGI tijd prima te verfilmen) leven de afstammelingen van de Vanguard kolonisten dus als ongeletterde feodalen, ze wagen zich niet zonder messen onbekende gangen in. Ze gaan zelfs gekleed in lendendoeken. Heinlein noemt dat niet specifiek, wel beschrijft hij een vrouw die voor de gemeenschap messen maakt en met blote borsten in haar smederij rondloopt.

Vele jaren later kwam ik het oorspronkelijke artwork voor Universe tegen. Mogelijk dezelfde artiest van de E.C. Tubb novella The Space-Born.
Doorgaans hebben de afbeeldingen op boekomslagen geen jota te maken met het verhaal dat ze moeten verkopen. Ik heb menige ‘organische’ science fiction gelezen met op de kaft een weergave van een keihard ruimteschip van Chris Foss. Uitgevers schrikken er ook niet voor terug om een urban hi-tech verhaal te illustreren met de afbeelding van een in goudfiligrein geklede Marsprinses op de rug van een vliegende draak.
Maar als je streeft naar verhaaltechnische authenticiteit, zoals Hubert Rogers deed, moet je beter je best doen. Voor het haar van de twee scheepsinboorlingen lijkt een gebrylcreemde Rock Hudson model te hebben gestaan.
En als ik dan toch aan het zeuren ben: ze dragen geen ‘lendenlappen’ maar iets wat op Clark Gable’s 1940 zwembroek lijkt. Toch is de tweede afbeelding imposant; Hugh die voor het eerst van zijn leven voorbij de eeuwige scheepswanden kijkt en het heelal ziet.
Die korte broekjes bleven aan me knagen. Waarbij ik me afvroeg waarom de hoofdpersonen in Universe het nodig vonden om zich verder nergens mee te bedekken. Onze hedendaagse astronauten zien we wel eens in korte broek door hun shuttle zweven, maar ze hebben er altijd een NASA T-shirt en witte sportsokken bij aan.
Het antwoord vond ik (min of meer) in Heinleins 1966 roman The Moon is a Harsh Mistress. In dit goed geoliede verhaal is de satelliet een plek waar criminelen en andere sociaal onaangepasten naar toe verbannen worden, zoals ook de Britten eeuwen geleden dissidenten en moordenaars in Australië dumpten. Door ijs uit de maanbodem te delven kunnen de Loonies ondergronds graan verbouwen, hetgeen ze naar de overbevolkte aarde exporteren. Ze krijgen er producten voor terug waar de Maan niet in voorziet.
Maar die vorm van afhankelijkheid zit hen niet lekker. Met hulp van een computer die door een mutatieproces tot zelfstandige intelligentie is gekomen en – niet onbelangrijk – met hen sympathiseert smeden ze plannen om zich los te maken. Een band met de moederplaneet heeft niemand meer, de hogere zwaartekracht van de Aarde zijn ze ontwend en ze hebben dus alle reden om zich op een toekomst op de Maan te richten- maar dan wel als vrije, libertarische natie die door de Aarde als een gelijkwaardige handelspartner wordt gezien.
De onafhankelijkheidsplannen van een ’stel misdadigers’ zijn natuurlijk niet naar de zin van de Aardse regeringen en er dreigen militaire acties.
The moon is a harsh mistress zet een interessante en bepaald geen primitieve ruimtekolonie neer. Wegens het tekort aan vrouwen heeft elke vrouw meerdere echtgenoten en dus een trits aan kinderen. (Hé, waarom is dit in Australië niet van de grond gekomen?)
De Loonies hebben niet veel om het lijf. Letterlijk. In zijn beschrijving van Manuel Garcia O’Kelly-Davis, een mechanicien en de aanvoerder van de opstand, zet Heinlein een typisch Amerikaanse standaardheld neer, een soort blue collar mix van Buck Rogers en Tarzan. Korte broek, het gespierde bovenlijf bloot. Geen schoenen of sokken. De Loonies doen daar ook niet aan. De gangen van de maan-enclaves zijn kennelijk vrij van glasscherven en hondenpoep.
Maar hoe logisch is zulke minimale bedekking in een ondergrondse maanstad? Of in een ruimteschip?
Heinlein er van uit dat de kolonies onder het maanoppervlak hun warmte goed vast kunnen houden. Geen meteorologische omstandigheden, dus een constante, subtropische temperatuur.
Shorts. We vinden ze de laatste paar decennia heel gewoon, maar vóór 1900 zag je er geen enkele man in. Korte broeken waren iets voor de koelies in Afrika en Georgia. Ook in Amerika wist de Indiaan met zijn lange blote benen de blanke frontier man niet tot een westerse imitatie te bewegen. Ooit een 19e eeuwse cowboy in shorts gezien? Dat is duidelijk nog toekomstmuziek.
Natuurlijk was Heinlein niet de uitvinder van de space shorts, en de talloze sci fi illustratoren uit zijn tijd evenmin. Hun creativiteit was verpest door de Marvel superheroes met hun blote borsten (waar de tepels meestal van af gepleurd waren) en idiote catsuits. Het personage rechts ziet er in zijn skin-tightness wat minder erg uit dan de met lipppenstift opgedirkte John Carter, maar de humor is dat Van Vogt zo’n typisch Amerikaanse starship trooper van West Point kaliber helemaal niet voor ogen had gehad.



Ge ziet; artiest Krenkel was er van overtuigd dat in de toekomst ook de hele Rotary Club bloot bebeend zal zijn. Leuk bedacht en serieus-realistisch uitgebeeld, maar het doet wat nichterig aan.






Space shorts, dus. Niet iedereen tekende ze om de nuchtere, praktische reden die Heinlein aanvoerde. De broekjes neutraliseerden het vertoon van de vaak zedenloos geklede ruimtestewardessen bij hen. Daarbij heeft de stoere ruimtesjonnie benen die toevallig perfect bij korte broeken passen en ook zal zo’n volmaakt specimen niemand afschrikken met overtollig kuithaar. De toekomst houdt wat dat betreft aan de heren nog grote esthetische beloftes in. Als de dames hen evolutionair niet voorbij streven.

Sommige illustratoren vonden de korte broek voor hun helden zó kek (spillebeentjes, jongens?) dat ze wel eens wat over het hoofd zagen. Maar die waren net als Edgar Rice Burroughs zelf nooit in de ruimte geweest.



Daarnaast zijn er de ruimtehelden die zeggen: ‘Ik kan er niets aan doen dat mij alleen een kort broekje en slank gesneden ruimtelaarzen rest; ik raakte van de literatuur in de pulp en moest ook nog een dame redden uit een crashend melkwegstelsel.’
Om vervolgens in het futuristische jaar 1990 een atoomoorlog of een invasie van tentakels van hen af te moeten slaan. Maar Vrouwe Futura (die met haar vrouwelijkheid de toekomst van hun toekomst moet garanderen) redt hij desnoods met één arm.


Satijnen vechtbroekjes, plastic kadettenlaarsjes; ik weet zeker dat Grand Old Man Heinlein het allemaal maar niks vond. Hij was namelijk nudist.

- wordt vervolgd -
©2009dedeurs

